zaterdag

Qingdao

Deze maand waren mijn zoon en ik twee weken in China. Ik was daar om research te doen voor mijn nieuwe boek, een biografie over de moeder van mijn Japanse vriend. Zij leeft niet meer, maar heeft prachtige memo's achtergelaten... Zij was net als ik ooit onderwijzeres en wilde graag een boek schrijven over haar leven. Dat ik dat nu kan gaan doen beschouw ik als een groot voorrecht. Haar leven is namelijk onvoorstelbaar bijzonder geweest.

Zij is geboren in het gezin van een rijke Japanse zakenman, maar als baby weggegeven aan een geisha. De welvarende zakenman deed goede zaken in een Chinese havenstad ver weg van zijn geboorteland Japan. Die stad is Qingdao en kent een woelige geschiedenis. In het begin van de twintigste eeuw was het in handen van onze oosterburen, die er het wereldberoemde Tsingtao bier brouwden.

Na de Eerste Wereldoorlog werd de provincie Shandong bij het verdrag van Versailles aan Japan overgedragen. Vanaf 1918 woonden er 20.000 Japanners in Tsingtao en vanzelfsprekend hadden deze 'kolonisten' hun eigen scholen, restaurants en rosse buurten. De rijke Japanse zakenman die thuis een vrouw had, twee zoons en drie dochtertjes, zocht zijn vermaak buiten de deur en werd verliefd op een geisha. Hij beloofde haar een ander leven. Als hij haar zijn volgende kind zou schenken, kon ze het geisha-vak vaarwel zeggen. Het allerbelangrijkste voor hem was dat hij haar dan niet meer hoefde te delen met de andere mannen die ze avond aan avond sake schonk, haar aandacht gaf en waar ze zich mooi voor maakte. 

De beloofde baby kwam ter wereld in 1933 en haar moeder mocht de kleine bij zich houden tot het geen moedermelk meer nodig had. Een klein jaartje woonde ze in het grote huis met twee broers en drie zussen, in een grote villa aan de rand van Wakazuruyama, vlakbij de Japanse schrijn. Haar naam was Tokiko.

Een jaar later werd Tokiko geadopteerd, woonde ze in een ander huis in een drukke winkelstraat. Bij een moeder die ooit geisha was, maar nu een kapsalon aan huis had, waar ze Japanse geisha van ingewikkelde kapsels voorzag.


En wat ik daar verder over kan vertellen, zal in mijn boek komen. Tokiko heeft elf jaren in Qingdao gewoond en toen werd het anders voor de Japanners in China. De sfeer werd grimmig zo naar het einde van de Tweede Wereldoorlog, waarin Japan zijn keizer diende met een steeds groter fanatisme. De rijke zakenman heeft ervoor gezorgd dat de overtocht naar Japan kon worden gemaakt. Maar daar heerste armoede, puinhoop en deceptie toen de keizer in 1945 capituleerde.

Kun je je voorstellen hoe de moeder van mijn vriend zich daar als meisje van elf moet hebben gevoeld? Het wonen bij een alleenstaande moeder in een vaderland waar ze nog nooit geweest was. Daarnaast op tienerleeftijd het volle besef krijgend dat ze ooit weggegeven was.

De reis naar China heeft me op de plekken gebracht waar de hoofdpersonen uit mijn boek woonden.
De Chinese stad heeft me verbaasd en meer dan verrast.

Chinezen en Japanners zijn Aziaten. Dat hebben ze met elkaar gemeen. Ik ben veel in Japan geweest en dacht veel herkenning te vinden in Qingdao. Maar wanneer je in China loopt ben je overduidelijk in een andere wereld.  De veelbewogen geschiedenis, waarin oorlogen de boventoon voerden, maakt dat alles wat ooit Japans was met een krachtige hand lijkt weggevaagd. Nieuwe wijken en rijkdom zijn te vinden aan de rand van deze miljoenenstad. Het oude centrum waar ik met mijn zoon verbleef is een mengelmoes van eentonige bebouwing en oude huizen uit de Duitse tijd. Rode dakpandaken zijn een trekpleister voor toeristen uit Korea en uit de rest van China. Westerlingen zie je er niet.

De mensen in Qingdao zijn ontzettend vriendelijk en het is er een drukte van belang. De straten zijn vuil, de gebouwen zijn slecht onderhouden, de mensen zijn veerkrachtig en fit. 

Qingdao heeft mij verbaasd, verrast en gevoed met inspiratie.











woensdag

Japans boeddhisme



Afgelopen zomer snuffelde ik rond op de website van een reisboekenwinkel en ik vond een grote verscheidenheid aan boeken over Japan. Tussen vele bekende titels dook een nog te verschijnen exemplaar op: Japans boeddhisme door Henny van der Veere. De schrijver van het boek is Japanoloog en opgeleid als priester in de Shingon-school. Een reservering was snel gedaan en enige maanden later verscheen het boek met een andere cover dan aangekondigd. Was eerst nog gekozen voor het grote Japanse Boeddha standbeeld uit Kamakura met roze kersenbloesem op de voorgrond, nu sierde Shūgyō Daishi de voorkant, met een donkerrode band met de titel over het groen van een pijnboom.

Die minder frivole foto geeft de toon aan die ik in dit boek vond. Het is geen luchtig boek, maar een boek ter verdieping voor de lezer die meer wil weten over Japan. Voor mij bood het boek een welkome kennisuitbreiding; het gaf antwoorden op vragen die ik al jaren had. Drie jaar geleden liep ik, net zoals Henny van der Veere vele malen deed, dertienhonderd kilometer over het eiland Shikoku, langs 88 boeddhistische tempels. Daar werd ik gegrepen door het Shingon boeddhisme, maar erover lezen was vaak moeilijk, omdat veel boeken en websites niet in het Nederlands geschreven zijn. Ingewikkelde termen, verheerlijkende woorden en subjectieve teksten maakten het niet eenvoudig om deze boeddhistische school te leren kennen, laat staan te begrijpen.

Het boek Japans boeddhisme gaat niet alleen over boeddhistische stromingen in Japan, het gaat eigenlijk over alle rituelen en culten uit dit land met rijke historie. Henny van der Veere legt uit dat het westerse beeld van ‘boeddhisme in Japan’ geheel niet klopt met de praktijk. Bij ons in het westen associëren velen ‘boeddhisme’ gemakkelijk met het woord Zen, met mediteren en met het willen bereiken van verlichting. Dat heeft in Japan allemaal weinig raakvlakken met de praktijk. Het wereldbeeld van de mens uit het westen is zoveel anders dan die van de Japanner. De verschillende perspectieven kunnen leiden tot spraakverwarring of misinterpretaties. Veel Japanners zullen zeggen dat ze niet religieus zijn, maar intussen gaan ze wel naar tempels en volgen ze vrijwel allemaal een rituele kalender vanaf de kindertijd.

Ook bestaat er in Japan een groot belang bij het onderhouden van een relatie met de voorouders en overledenen. Het was niet nieuw voor me dat overledenen in Japan zich niet in een onbereikbare hemel bevinden, maar dat je in het landschap plekken kunt bezoeken waar je als het ware in de andere wereld komt; de takai. Die plekken worden goed beschreven en uitgelegd (reizei-bergen en reijō- plaatsen met spirituele kracht). De meesters in het goedhouden van de relaties met overledenen zijn de priesters. Veel aandacht in het boek gaat uit naar hun kunde/beroepsinhoud/opleiding/kledij en positie in de maatschappij.

Henny van der Veere schrijft soms zo ontnuchterend en droog over allerlei verheven zaken, dat je als lezer het gevoel krijgt dat je vele keren beetgenomen bent toen je in Japan was. Ik kan me de keren goed herinneren dat ik me een leek voelde en zo lomp, als ik bij een tempel stond. Ik dacht dat alle Japanse bezoekers om me heen ‘het’ begrepen. Ze bogen zo mooi, ze wisten precies wat ze moesten doen in dit mysterieuze stukje wereld. Ik besef door het lezen van dit boek dat ik het concept Japans boeddhisme met mijn eigen romantische ideeën had ingekleurd. De voornaamste redenen van Japanners om naar een tempel te gaan, zijn meer praktisch dan verheven van aard. Wat voor tempel of wat voor denkbeelden worden gevolgd is van ondergeschikt belang.

De belangrijkste drijfveren om naar een tempel te gaan, of om hulp te vragen bij een priester of organisatie in geval van een crisis, worden uitgelegd. In Japan kan men zich wenden tot een boeddhistische of shintō-tempel. Maar ook kan men een plek bezoeken waar men contact kan maken met de andere wereld, of kracht op kan doen uit plaatsen die daarom bekend staan. Alles wordt behandeld vanuit het Japans perspectief. Vele godheden, heiligen, beelden, sūtra’s en boeddhistische rituelen komen aan bod. Altijd heel duidelijk en consequent met de Japanse uitspraak, de kanji en als dat nodig is de oorspronkelijke benaming (bijvoorbeeld in Sanskriet of Chinees). Het vormt zo een handboek vol praktische beschrijvingen die ik nooit heb kunnen vinden in het Nederlands.
Het begin van het boek leest prettig weg en af en toe volgt een verwijzing naar komende hoofdstukken. De indeling van de gehele materie is gestructureerd en lijkt volledig, maar in het tiende hoofdstuk (Doctrines, discussies en achtergronden), kon ik me niet aan de indruk onttrekken dat ook veel is weggelaten. Het werd ingewikkeld en het zou een tweede boek hebben kunnen worden. Het laatste hoofdstuk biedt een conclusie over Japans boeddhisme, maar bevat ook nieuwigheden die meer uitleg behoeven. Ik begon een uitleg van bepaalde termen op te zoeken in de verklarende woordenlijst, waar ik ze niet vond. Volgens mij heeft de schrijver te volledig willen zijn, wat een goed streven is. Misschien hadden er bepaalde dingen weggelaten kunnen worden. Of was het de bedoeling de lezer nieuwe vragen mee te geven?

Het boek is een aanrader voor iedereen die naar Japan gaat om tempels te bezoeken en zich wil verdiepen in de rituele achtergronden van dit land.

maandag

Kurisumasu

Rinkelende belletjes en een grote grijnzende kerstman die met een gouden zweep de rendieren aanspoort. Het scherm op het hoogste gebouw zendt onafgebroken reclames uit. ‘Ho ho ho’, hoort iedereen op het drukke kruispunt waar honderden mensen oversteken. Netjes en in gelijke tred over de vijf zebrapaden in dit door stoplichten geregisseerde stukje stad. De witte wolkenpartij boven de mensenmassa dijt uit, bolt op en pakt zich samen. De voetgangers kijken zonder uitzondering vooruit. Naar het groene licht dat hen verder brengt, naar een volgende afspraak of ander stadsdeel, de aanloop naar kerstavond. Het donker valt vroeg in. Op het middelste zebrapad loopt een jongen. Een donkerblauwe dekbedjas met een gezicht verstopt in de zilverbonte kraag. Zijn donkere ogen volgen de voeten voor hem. Hij sloft in de richting van de neonreclame waar de kerstman het beeld uit rijdt naar verten vol sneeuw. In de meute stevent een babbelend meisje aan een vrouwenhand op hem af. Ze moet kiezen of ze haar moeder even loslaat of op haar tegenligger botst. Met een hupje komt ze los en cirkelt om de jongen heen zonder haar mond te houden. Hij kijkt geërgerd op en zijn rode oren komen eventjes boven de kraag uit, waarna hij peinzend verder loopt. Hij volgt een onduidelijke route en werpt af en toe een blik in een etalage. Dan haalt hij een hand als een kam over zijn pony en laat de vier vingers op zijn voorhoofd rusten met de duim vermoeid tegen zijn wang. Als de eerste kleine vlokjes vallen kijkt hij omhoog, zijn ogen flitsen in de richting van zijn zakkende wenkbrauwen. Je vraagt je af wat hij buiten te zoeken heeft. Een knisperfrisse sneeuw is dit niet. Het is een nat warrelen van bleke stippeltjes. De jongen loopt een 7-eleven in, koopt een roombroodje en vraagt bij het afrekenen om een cappuccino. Hij wacht op zijn koffie, grist wat zakjes suiker en servetten mee en pakt een plaats aan het raam naast de uitgang. Als hij zijn jas om de leuning hangt zien we zijn smalle schouders in de donkerblauwe sweater. Wat we nog niet weten is dat hij uren door Tokio heeft gelopen.

Hij is achttien jaar en heet Itsuki. In april gaat hij studeren. In Nagoya, dat was de bedoeling. De toelatingsexamens waren in oktober en die heeft hij dus verprutst. Wekenlang is er thuis gezwegen tot de uitslag kwam. Dat was november. Begin december barstte de bom. Zijn vader sloeg hem met een elleboog tegen zijn oor, noemde hem een nietsnut, terwijl zijn moeder huilde en hij uit frustratie een kom rijst van tafel veegde. Meteen daarna rende hij naar zijn beste vriend Nobu en is daar niet meer weg gegaan. Nobu’s familie is begripvol en geduldig. Itsuki mag er op adem komen. Maar hun skivakantie naar Nagano is een probleem. Het is al maanden geboekt en Itsuki kan niet mee. Of hij niet een kleine week naar huis kan. Toen mevrouw Arakawa eergisteren met zijn moeder belde, is hij het huis uitgestapt. Met zijn Eastpak, een bankpas en wat geld op zijn rekening. Maar geen plan.

Hij ging naar de oprit van de snelweg. Hier stoppen auto’s en vrachtwagens die richting Tokio gaan. Met een ballpoint uit zijn etui schreef hij twee grote tekens op een gevonden doos, en. Hij moest aardig wat krassen om ze groot genoeg te maken. Vier ritten en veertien uur later werd hij driehonderd kilometer verderop bij het stadion in Saitama afgezet. Het grootste van Japan. Duizelend van opwinding. Wat een machtig gevoel hier te zijn, hij kent het alleen van TV. Maar wat moet je vrijdagmorgen acht uur voor een stadion doen? Dit was gisteren. Hij nam de stoptrein naar het centrum van Tokio en anderhalf uur voelde hij zich een wereldburger. Hij had het geflikt. Hij zou wat meemaken in de hoofdstad. Genoeg te zien in de vierentwintig uurs economie. Vermaak alom en weg van de bekrompenheid uit Aichi.

De slaap kreeg hem al snel te pakken. Een nacht liften is niet niks. Lopen van Harajuku naar Yoyogipark. Toen hij met rood-witte Starbucks beker op een bankje zat, werd het hem zwaar te moede. Mannen alleen, in pak en met haast. Vrouwen als zijn moeder met make up en wollen mantels. Met een elegante flair die je in Aichi niet ziet. Als in een parade trokken ze aan hem voorbij. Mooie meisjes aan de zijde van jongens zoals hij. Verzorgde kapsels en een zelfverzekerde houding. Zoveel stelletjes had hij nog nooit gezien. Hem zagen ze niet.

Die nacht sliep hij in een internetcafé. De goedkoopste oplossing om zich eindelijk te strekken. Een eigen hokje van twee bij één. Op die zwarte plastic mat kwamen de tranen terwijl hij zich onder het rode fleecedekentje probeerde te wurmen. Zijn spijkerbroek irriteerde aan zijn heupen en hij voelde zich brak. Waar was de euforie van de vorige nacht? Toen hij meegenomen werd en de lichtjes van Tokio zag?


Nu heeft hij weer een dag door het centrum gedwaald. Duidelijk een illusie armer. Daar zit hij in die 7 eleven. Hij roert in zijn koffie en kijkt een halve seconde op als een grote man naast hem komt zitten. Die knikt hem toe, maar Itsuki reageert nauwelijks. Even knipperen met de ogen en een knikje naar het tafelblad. De man heeft maar één hand vrij, de rechterarm bungelt in een witte doek. Met zijn linkerhand zet hij zijn koffie neer, pakt een suikerzakje uit de mitella en scheurt met zijn tanden de bovenkant van het zakje open. Dit gaat wat onhandig waardoor de suiker uit het zakje kiepert voordat het de koffie bereikt. Overal witte korrels en een stevige vloek over tafel: ‘Klotezooi!’

Het werkt als een knip van de vinger. Het lijkt of Itsuki uit een hypnose komt en meteen is er actie. Hij pakt één van de vijf, zes zakjes voor hem en strooit het leeg in de koffie van de man. Met een servet veegt hij de tafel schoon. Dankbaar knikkend mompelt de man een ingehouden ‘sorry’. ‘Het geeft niks’, zegt Itsuki. ‘Jawel, ik moet niet vloeken naast zo’n nette jongen als jij, het flapte er zomaar uit’. En ongevraagd vertelt de man dat hij hier kwam voor een lampje. Hij had boodschappen bij zijn moeder gebracht. Extra veel, want het is kerst. En voor hij weer weg wilde gaan, zag hij dat de keukenlamp het niet deed. Dan nog maar even naar de winkel. Bij de kassa kreeg hij onweerstaanbare trek in koffie. Want hij is zo ontzettend moe. Van zijn werk, zijn gebroken arm, de zorg voor zijn moeder, zijn eerste kerst alleen: ‘Alles kwam eruit bij die verdomde vloek’.

Itsuki luistert. Port onhandig een goedbedoeld elleboogje richting de man. En dan vertelt hij zomaar zijn verhaal. Van het liften, van het weglopen en het falen bij de examens. Hij heeft nog nooit zoveel gepraat. Maar er heeft dan ook nog nooit iemand echt naar hem geluisterd. Als de man na de laatste slok zijn kopje terugzet, steekt hij daarna fier zijn goeie hand uit: ‘Even voorstellen, ik ben Haruki’. Daar achteraan komt het welgemeende voorstel om samen naar zijn moeder te gaan.

Nog geen uur later in de warme keuken van een luxe appartement. Itsuki heeft het peertje ingedraaid en staat nu sla te wassen. ‘Mamasan’ loopt de gang in om een kamer in orde te maken. Haruki zit aan tafel en heft tevreden zijn kopje sake: ‘Merry christmas!’


donderdag

Meeting

Nu de kinderen groter worden, nemen de huisdieren de schone taak over om ons te vertederen. Tika is de benjamin van de familie. Ze is de derde hond van mijn zus; een Rhodesian Ridgeback. De eerste Ridgeback in de familie, kwam zoals de soortnaam al aangeeft uit Afrika. Oorspronkelijk zijn het leeuwenjagers en ze zijn atletisch en gespierd zodat ze goed uitgerust waren om de jagers te helpen bij de jacht op de koningen uit ons dierenrijk. De kortharige vacht is bruin van kleur en over de rug loopt een streep tegendraadse haartjes die grappig aanvoelt en eruitziet als een rits.

Tika is op dit moment aanhaliger dan normaal. Ze kijkt lodderig uit haar ogen en als je haar aan wilt lijnen na een wandeling, blijft ze mooier stilstaan dan anders en kijkt dan met de bruine ogen wat dromerig naar de wolken. Als ze het klikje van de riem hoort knippert ze even en kijkt ze je aan. Is ze drachtig?

Al sinds de zomervakantie kijkt Maureen uit naar de dag waarop Tika loops wordt. Haar gezin bezoekt in de Limousin een familie met een mooie reu met een goede stamboom. In een zonnige zomertuin ruiken de twee tieners aan elkaar en na een poosje dollen, rennen ze achter elkaar het erf over, met aanmoedigende blikken en geroep van alle baasjes op het terras.

Vijftien oktober is het zover. Tika is loops en Dimba’s familie in Frankrijk wordt gebeld om een meeting te regelen. Baasje Pierre stelt voor om met de toekomstige tortelduifjes naar de Elzas te rijden. Zijn moedertje heeft daar een huis waar Tika en Dimba zich uit een speelse vriendschap in een avontuurtje kunnen storten. Het lijkt hem goed als er zo weinig mogelijk afleiding is en daarom komt hij alleen met zijn hond. Of Maureen dat ook kan doen. Haar gezin blijft dus thuis met de twee oudste honden.

Dimba en Tika zitten nog in de auto’s. Pierre en zijn zesennegentig jaar oude moeder nemen Maureen mee voor een lunch met flamkuchen en cider. Het Frans van mijn zus is heel goed omdat ze ooit au pair was. Na het eten wordt madame thuisgebracht en gaan de baasjes een wandelingetje maken. Zo kan het koppel aan elkaar snuffelen. Een teefje moet langzaam spelend wennen aan een reu. Ze moet even de tijd krijgen.

Maar Tika en Dimba zijn nog geen vijf minuten bij elkaar of ze zitten aan elkaar vast. Op een rare manier. Dimba is op Tika geklommen, over haar rug gedraaid en nu zitten de achterlijven aan elkaar geplakt lijkt het wel. Pierre probeert de aangelijnde Dimba weg te trekken. Maar Maureen weet alles van de paring. Dit hoort zo! En dat moet in het Frans uitgelegd aan Pierre: ‘C’est bien, niet wegtrekken nu’. Het stijve geslachtsdeel van Dimba is honderdtachtig graden gedraaid in Tika. Het laat pas los na de copulation. Zoeken naar Franse termen van woorden die je nooit gebruikt. Over het penisbot en de zwelling na de penetratie. Een verbaasde Pierre. Daar staan ze dan tegenover het kerkhof en niet in de tuin van zijn moeders houten huis.

Pierre aait Dimba over de kop. Maureen zit gehurkt naast Tika om haar gerust te stellen. De koppeling kan vijf tot zestig minuten duren zegt Maureen. Er rest de baasjes niet veel meer dan afwachten hoe lang het duurt. Ieder dicht bij zijn hond, een beetje kletsen, zich akelig bewust van het doel van dit weekend. Het moment dat de beestjes loskomen een zucht van verlichting bij Pierre en een zenuwachtig lachje bij beiden.


Onder het Elzasser huis met de bruin witte luiken en de eikenhouten trap naar de voordeur, hebben Tika en Dimba het nog zeven keer gedaan, naast de garage en op het grasveld. De laatste keer was binnen, onder het eten van een soep en stokbrood bij de kwieke oude maman. De lepels moesten even neergelegd zodat Pierre en Maureen hun honden weer konden aaien en geruststellen. Moeder wachtte geduldig tot haar gasten weer verder konden tafelen. Vijf tot zestig minuten. Alles voor de goede zaak: een nestje vóór de kerst?


dinsdag

Selma

Via de 'club van echte lezers' van uitgeverij Atlas Contact kwam ik al in het bezit van het in september verwachte boek van Carolijn Visser.
Toen de dikke proefdruk vrijdag door mijn brievenbus werd geperst, scheurde ik gelijk de envelop open. Die foto op de kaft. Ouderwetse snoetjes van twee serieuze kinderen, een westerse vrouw en een Aziaat. De lachende vrouw moet Selma zijn.

Carolijn Visser heeft de twee kinderen van deze foto in 2008 ontmoet bij een van haar lezingen. Zij waren inmiddels ongeveer 60 jaar en vertelden over hun Nederlandse moeder Selma, die in 1950 had besloten hun Chinese vader te volgen naar zijn vaderland. In de jaren die volgden schreef Selma brieven naar hun opa in Nederland en deze openhartige beschrijvingen van het gezinsleven in China ten tijde van de Grote Sprong Voorwaarts en de Culturele Revolutie, vormen de basis van dit boek. Ik las het in een paar dagen uit.

De ondertitel van Selma is 'Aan Hitler ontsnapt, gevangene van Mao'. Je voelt als lezer een dreigend gevaar. Carolijn Vissers stijl van schrijven is prettig, want er staat geen woord teveel en zeker geen woord te weinig. Al lezend wordt de nieuwsgierigheid bevredigd en werpen zich nieuwe vragen op. Het is als het kijken naar een goede documentaire. Details komen naar voren in levendige beschrijvingen. De letterlijk overgenomen stukjes uit Selma's brieven geven intieme details van haar leven. Dit gebeurt in een sfeer van de tijd van het Polygoon journaal. We ruiken bijna de Nederlandse appeltaart die Selma voor iedere verjaardag bakt. Haar woordgebruik geeft kleur aan het verhaal naast de beschrijvende stijl van de rest van het boek. Uit de gesprekken die de schrijfster voerde met Selma´s kinderen Dop en Greta, weten we dat zij het moeilijk vonden om er niet volop Chinees uit te zien. Kleine vooruitwijzingen in de tijd maken dat je als lezer meer weet dan het gezin.

De opkomst van het communisme en de politieke ontwikkelingen in China zijn zo goed uitgewerkt dat je snapt wat er gebeurt. De man van Selma is een in Cambridge afgestudeerd psycholoog die niets liever wil dan China helpen met de opbouw van dit immens grote land. Dat Selma hem volgt kun je je als lezer helemaal voorstellen. Als Joodse had zij haar moeder verloren en met haar vader ondergedoken gezeten. Na de oorlog is zij 24 en begint zij vastberaden aan een studie in Cambridge waar zij Chang ontmoet. Zij heeft zoveel in Nederland verloren dat ze de mogelijkheden die het leven haar biedt met een groot enthousiasme aanpakt. Ze trouwen, krijgen zoon Dop in Cambrigde en dochter Greta in Hongkong. De band met Nederland houdt zij warm door een uitgebreide brievenwisseling met de enige die zij over heeft uit haar jeugd, haar geliefde vader Max. Dan wordt Chang gevraagd als leider van het psychologisch instituut in Peking. Daarnaast is hij vooraanstaand lid van de Partij. Selma richt de aan hen toegewezen woonruimte in, gedreven door een nostalgisch gevoel uit haar vroege jeugd. Later werkt zij als docent Engels aan de Tweede-talenschool. De bewondering voor het positieve en hard werkende echtpaar gaat hand in hand met een grote vrees voor hun welzijn, wanneer de Culturele Revolutie begint.

Dit boek is een meesterwerk. Het geeft inzicht in een zeer recent hoofdstuk van de wereldgeschiedenis, door de levensloop van slechts één familie. Ongekend dramatisch is de reeks gebeurtenissen die wordt beschreven. En ongekend sterk kan de mens zijn, die door politieke wendingen in zijn land beperkt wordt of verdrongen.

Dit boek kan niet in de kast. Het moet worden gelezen!

woensdag

Yoga

'Als je je aandacht naar binnen kunt richten, kom je van alles tegen. Wanneer je daar naar leert luisteren, zul je merken dat wat er binnen gebeurt, ook buiten jou plaatsvindt, in de wereld om je heen'

Hoe moeilijk is het om te verwoorden wat mijn yoga-juf vanmorgen bij de meditatie zei, maar dit was de strekking. Bij deze Iyengar yoga-docent ben ik nu al drie jaar aan het oefenen. Elke keer kom ik een stukje verder in mijn fysieke houdingen, maar daarnaast word ik mij steeds meer bewust van mijn levenshouding. Deze yoga-docent heeft een bijzondere manier van lesgeven. Ze is rustig, geconcentreerd, strikt en streng. Haar aanwijzingen zijn zo precies dat je er achterdochtig van wordt. Wanneer je in een bepaalde houding een beetje gaat smokkelen omdat je een pijntje voelt, komt ze nog geen seconde later met een aanwijzing om het wel vol te houden. En ook in de meditatie kan ze precies zoveel zeggen als nodig is om het prettig te blijven vinden. Ik weet zeker dat zij een grote rol gespeeld heeft in mijn persoonlijke groei in de afgelopen drie jaren.

Mijn pelgrimstocht in Japan heeft de grootste verandering in mij teweeg gebracht, Ik ervaar veel positiviteit sinds ik terug ben van mijn reis. Mensen lijken aardiger en begripvoller dan voorheen. De beren die ik altijd op mijn weg zag, zijn nu overstekende kikkertjes waar je overheen kunt stappen. En zodra ik iets wens uit de grond van mijn hart, lijkt het bewaarheid te worden. Mijn leven is op dit moment zo gevuld met geluk, dat ik ook moeilijkheden gemakkelijker aan kan.

Ik ben door een bepaalde 'magie van Shikoku' betoverd. Wat dat dan ook moge betekenen. Ik hang het op aan het Shingon boeddhisme, wat ik op dat Japanse eiland heb leren kennen. Twee belangrijke peilers: 'dankbaar zijn' en 'goed doen; want wie goed doet, goed ontmoet'. Omdat ik een logische denker ben, is dat een hele fijne levensfilosofie. Je kunt het heel concreet beoefenen. Ik noem iedere dag, na mijn wierookje bij Boeddha te hebben aangestoken, drie nieuwe dingen waar ik dankbaar voor ben. De lijst is onuitputtelijk. Ook probeer ik goed te zijn voor een ander (mild in het verkeer, vriendelijk tegen vreemden, aardig reageren op mensen die naar doen, begripvol zijn en luisteren, niet oordelen, helpen waar het kan, nee zeggen als iets me niet uitkomt, maar wel een nieuwe afspraak maken). Door die houding ontmoet ik veelal de goedheid van de ander retour.

En nu kom ik bij het punt waarmee ik deze blog begon. Want vandaag drong tot me door dat ik niet door iets onverklaarbaars als 'Magie' ben veranderd. De pelgrimstocht en de mensen op het eiland hebben me geleerd mijn aandacht meer naar binnen te richten. Vervolgens ben ik gaan luisteren naar alles wat ik voelde en tegenkwam in mezelf en daar naar gaan handelen. Toen bleek iedereen om mij heen te reageren op een manier die prettig voor me voelt. En de (kleine) wereld om me heen leek mee te veranderen: 'de magie na Shikoku'. Dank je wel yoga-juf, voor deze mooie laatste les vóór de zomervakantie.

vrijdag

De hartsoetra

Een Japanse stad tussen Osaka en Kobe in. Iets uit het centrum tegen de heuvels een buitenwijk met brede straten en veel groen. Een eengezinswoning met leistenen dakpannen en een lage teakhouten poort met afdak. Langs de muren Geisha-rode Azalea's, pralend tussen steen en groen. Ik kom voor het eerst bij zijn ouderlijk huis. 

Schoenen uit voor je de verhoging opstapt en dan op slofjes naar de huiskamer. De glazen schuifpui naar de binnentuin wordt opengezet en ik kijk rond in een tatami-kamer, waar ik ogen te kort kom. Vellen papier met gepenseelde tekens liggen op het lage tafeltje. Daaromheen onnoemelijk veel schilderijtjes en reproducties achter elkaar op de grondNyorai en Bosatsu in vitrinekastjes aan de wand. De uit hout gesneden figuurtjes met kransen als kant en aura's van vuur, zijn gedaanten van Boeddha en zijn verlichte helpers.  

Ik loop naar het huisaltaar met de foto's van moeder en oma. Voor beide overledenen staat een kommetje rijst en een verpakt koekje klaar, naast een kandelaartje met kleine kaars. Yutaka steekt ze aan en ik kniel neer voor deze butsudan. Ik wil de boeddhistische tekst inzetten, die ik thuis elke dag voor mijn moeders foto opzeg. Dat is de hartsoetra die ik op het eiland Shikoku heb geleerd. Ik ken het inmiddels uit mijn hoofd. Mijn oog valt op een gebonden boekje naast de klankschaal. Als ik het open sla, zie ik dat het een stempelboek is. Een kleinere versie van de mijne, die ik overhield aan mijn pelgrimstocht langs 88 tempels in 2013. De eerste zes bladzijden hebben stempels en een kalligrafie en de overige bladzijden zijn (nog) leeg. De vader van Yutaka blijkt niet zomaar een boeddhist te zijn, maar net als ik, een aanhanger van het Shingon boeddhisme.  

De oud onderwijzer heeft vele hobby's en interesses en de meest bijzondere is het overschrijven van de hartsoetra. Deze oefening van toewijding heet shakyou. De tekst die ik elke dag reciteer ligt hier in honderdvoud naast de vitrine op een stapel. Ik kan nauwelijks geloven dat iemand van over de tachtig zo'n vaste hand heeft. De kanji zijn als boekgedrukt. De meeste zwart op wit, een enkele in goud op blauw. 




De eeuwenoude teksten van boeddhistische soetra's kwamen uit India. De Chinese monnik Xuanzang heeft er halverwege de zevende eeuw veel uit het Sanskriet naar het Chinees vertaald. Weer honderdvijftig jaar later kwam de Japanner Kūkai met de teksten in aanraking. De Chinese tekens zijn dezelfde, maar ze worden door Japanners anders uitgesproken.  

Kūkai is de stichter van het Shingon boeddhisme. Hij is degene in wiens voetstappen de pelgrims lopen die de 88-tempeltocht van Shikoku doen. Ik ben tijdens deze tocht langzaam vertrouwd geraakt met de Japanse klanken van de hartsoetra, na ze bij alle 88 tempels meerdere malen te hebben gehoord. 

Omdat de pelgrimstocht mij veranderd heeft en omdat ik daar nog elke dag dankbaar voor ben, vergeet ik nooit mijn 'gebed', bij het kaarsje van mijn moeder. De handgeschreven exemplaren van Yutaka's vader staan daar nu naast.